Het verre verleden

Meijendel, Berkheide en Lentevreugd in (pre-)historisch perspectief

In het hele verre verleden, dat wil zeggen vanaf het tijdperk van de dinosauriërs (ongeveer 65 mln jaar geleden), is ons land verschillende keren bedekt geweest met een ijskap. Belangrijke elementen van het Nederlandse landschap zoals we dat nu kennen zijn gevormd door landijs, smeltwater en de sterke wind die langs het ijsfront blies. In de laatste ijstijd (70.000 jaar tot 10.000 jaar geleden) kwam het ijs niet tot in onze streken. De Noordzee lag droog en Engeland was vanuit Nederland over land – toen niet veel meer dan een kale toendra – te bereiken. De temperaturen stegen, de zeespiegel kwam langzaam omhoog. In de laaggelegen gebieden van Nederland werden kleilagen afgezet en er begon zich veen te vormen. De grote rivieren – de Rijn, de Maas, de Schelde – verlegden zich. Het Noordzeegebied stroomde langzaam weer vol met zeewater, veel verder landinwaarts dan nu. Nog ‘maar’ 5000 jaar geleden lag Lentevreugd dan ook niet op land, maar in zee.

Infographic1-NL3850cChr

De vier grote ‘delen’ van het Nederlandse landschap werden in de periodes daarna langzaam zichtbaar: 1. Het kustgebied met laaggelegen klei- en veenbodems, 2. Het rivierengebied van Rijn, Maas en Schelde, 3. De hogere zandgronden in het oosten van Nederland en 4. Het mergel- en lössgebied van Zuid-Limburg. De kustgebieden waren constant in beweging door overstromingen, veengroei, duinvorming en zandafzettingen.

Steeds meer nederzettingen doken op, ook in de kustgebieden. Eerst (35.000 jaar geleden) tijdelijke nederzettingen van jager-verzamelaars die als nomaden meereisden met de seizoenen, op jacht naar rendieren. Later (7000 jaar geleden) vestigden zich ook boeren, die steeds beter werden in het beschermen van hun land tegen het water.

Naast verstuiving van zand vanuit zee en kust heeft sindsdien ook de mens zijn invloed op het gebied doen gelden. Zo hebben ‘we’ over de eeuwen de zeereep verhoogd, de binnenduinrand afgegraven, helm geplant, landbouwgebieden ontwikkeld en zijn er waterwinkanalen en infiltratieplassen aangelegd.

In de Middeleeuwen waren de duinen grotendeels eigendom van de adel. De binnenduinrand was in gebruik voor de jacht, zodat de vegetatie zich hier vrijwel ongestoord kon ontwikkelen. De aanwezige bossen werden als hakhout gebruikt.

Vanaf ongeveer 1770 werd het duin ontgonnen om landbouw mogelijk te maken. Dat begon met kleine boeren bij Katwijk en Scheveningen die stukjes duingrond in erfpacht kregen. Ze verbouwden aardappelen, rogge, gerst, haver, boekweit, erwten, grote bonen en moeskruiden.

“Leendert van der Harst ging voor die tijd zeer voortvarend te werk. Als schelpenvisser had hij een vergunning om vissersschepen in en uit zee te trekken. Voor de beweiding van zijn paarden begon hij in 1769 het duin te ontginnen. Niet veel later ging hij over op landbouw. Het stuk duin waar hij als landbouwer werkte is naar hem vernoemd: de Harstenhoek, bij Scheveningen.”

Het ging niet allemaal even planmatig in die tijd en door de zeewind verstuifde het nieuw ontgonnen landbouwgebied weer. Met de komst van de Fransen in 1795 kwam er verandering en werd er serieus werk gemaakt van landbouw in de duinen.

Begin 19e eeuw vestigden zich steeds meer boeren in Meijendel en Doorndel (onder Katwijk en naast Lentevreugd) die zich toelegden op het verbouwen van aardappels. Om zand, wind en zeezout tegen te houden werden de walletjes beplant met populieren, eiken, kastanjes en brem. De boeren hadden het in het begin zwaar en moesten hun akkers bewaken tegen de arme bevolking uit omliggende dorpen die hun aardappelvelden leegroofden. Maar na verloop van tijd werd er goed geboerd en doken er steeds meer arbeiderswoningen en boerderijen op in Kijfhoek en Bierlap. Ondanks dit agrarische succes in Meijendel en Berkheide zorgden een paar opeenvolgende droge voorjaren, strenge nachtvorst en hongerige konijnen ervoor dat oogsten mislukten. In 1838 woonden er 70 boeren en arbeiders in het duin, een jaar later nog maar negentien. Toen in 1840 Koning Willem II aantrad werd de geldkraan voor het bevorderen van landbouw dichtgedraaid en werden in 1850 de landbouwgronden in Meijendel en Berkheide verkocht.

In 1874 wordt in Meijendel begonnen met duinwaterwinning, wat een belangrijke stempel op het gebied zou drukken. De duinstrook en Haag was toen, net als de andere vastelandsduinen van Noord-en Zuid-Holland, rijk aan natte duinvalleien. In strenge winters kon men, met een beetje klunen, door de duinen schaatsen van Hoek van Holland tot Den Helder!

infographic2-NL800-1500nChr

Tegenwoordig vervult het duingebied van Meijendel en Berkheide allerlei functies, niet alleen voor waterwinning, maar ook als natuurgebied, kustbescherming, recreatiegebied en zelfs militair oefenterrein.

Met dank aan de brochures van Dunea en de kaarten van de Nederlandse overheid, waaronder Staatsbosbeheer.

Advertenties

Mogelijk gemaakt door WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: