Van bollen tot natuurgebied

Lentevreugd is een relatief ‘jong’ natuurgebied dat in verschillende fasen vanaf 1996 door Staatsbosbeheer is ontwikkeld en in 2006 volledig in eigendom kwam van Staatsbosbeheer. Daarvoor was Lentevreugd een stuk bollengrond dat sinds de jaren ’20 van de vorige eeuw door boeren werd bebouwd. Het terrein is, in een periode van ongeveer tien jaar na de aankoop, van 42 hectare bollengrond uitgebreid naar een kleine 100 ha en omgevormd tot kwelgrasland met sloten en poelen.

bollengrondLentevreugd is bij de inrichting met een ‘gesloten grondbalans’ opgeleverd. Dat betekent dat alle grond, inclusief de voedselrijke teeltlaag, in het gebied moest blijven. Er is dus geen grond van het terrein afgevoerd. Sommige delen zijn afgegraven om waterplassen te vormen en glooiingen in het terrein aan te brengen. Daarnaast zijn beekachtige waterlopen (‘rellen’) gegraven.

Het terrein bestaat voor 40% uit een zandige ondergrond met lage vegetatie en voor 30% uit rietland met kwelplassen dat tegen de binnenduinrand aan ligt. Het resterende gedeelte is drassig, met op sommige plaatsen elzen en populieren. Er zijn drie plassen in het gebied, waarvan de meest centraal gelegen plas zomers soms droog komt te liggen. De andere twee behouden het hele jaar hun water. Het zal niet verbazen dat het gebied een geliefde plek is voor watervogels en dus ook voor vogelaars (over vogels op Lentevreugd is op de website meer informatie te vinden).

Het doel van het natuurbeheer van Lentevreugd is om een gevarieerde vegetatie – dat wil zeggen begroeiing waarin ook kruiden en ‘specialistische’ planten voorkomen – te laten ontstaan. Het klinkt paradoxaal, maar dat lukt het best in een voedselarme situatie, want dan nemen de snel groeiende pionierplanten niet de overhand en komen de specialisten het beste tot hun recht. De lager gelegen grond van Lentevreugd is minder voedselrijk en biedt de meeste potentie voor voedselverarming of ‘verschraling’. De hoge delen beschikken over een ‘eutrofe’ (voedselrijke) toplaag. Daar groeit een snelgroeiende plant als Duinriet, die veel stikstof nodig heeft, graag en verdringt hij andere soorten. Hetzelfde geldt voor de braambosjes die her en der in het gebied te vinden zijn. De neerslag van stikstof in het gebied, als gevolg van luchtverontreiniging en de kunstmest die in de omgeving gebruikt wordt, versterkt dat effect.

Om de begroeiing kort te houden en niet te veel te laten verwilderen tot struweel en uiteindelijk tot bos (een fenomeen dat ecologen successie noemen) laat eigenaar Staatsbosbeheer het terrein begrazen door zogenaamde Grote Grazers: een kudde van ongeveer 45 Schotse Hooglanders en 15 Konik-paarden. Niet bijzonder relevant, maar wel leuk om te weten is dat dit paardenras is ontstaan uit pogingen om het oerpaard terug te fokken. Konik is Pools en betekent klein paard. De Koniks zijn in 2006 bij de runderen geplaatst om wat variatie in de begrazing te brengen. Het terrein wordt op sommige plekken ook kort gehouden door maaien. Het maaisel wordt met hulp van vrijwilligers afgevoerd om te voorkomen dat sterke ruigteplanten, die onder voedselrijke omstandigheden floreren (het hierboven genoemde rietgras of brandnetel), het gebied gaan domineren. Een andere reden om het maaisel af te voeren is dat er Jacobskruiskruid in het terrein staat. De grazers zien het en laten het staan omdat het giftig is, maar in het maaisel herkennen ze het niet en dan is er dus het gevaar dat ze het gif opeten.

IMG_3682
Schotse Hooglander

Het voormalig gebruik als bollengrond maakt dat op verschillende plaatsen nog allerlei soorten cultuurgewassen te voorschijn komen, zoals sterhyacint (scylla), narcis, hyacint, krokus en blauw druifje. Dat wordt wel steeds minder. In het noordwesten was oorspronkelijk een klein deel van het terrein omheind, daar werd niet gegraasd of gemaaid. Er is op die plek een bosje ontstaan, maar het lijkt erop dat de aangeplante boompjes bezwijken onder de verruiging. Nu het hek weggehaald is wordt er weer gegraasd.

Advertenties

Mogelijk gemaakt door WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: